| |

De basis voor alle geschreven communicatie is tekst. Die kan uiteenlopende vormen aannemen: afzonderlijke artikels voor een magazine of nieuwsbrief, hoofdstukken voor een boek, tabellen voor een jaarverslag, enkele woorden voor een affiche. De tijd van overtikken is voorbij: tekst bereikt de opmaker of vormgever bijna altijd als digitaal document.
› Terug naar Educazië |
|
|
|
|
|
Naamgeving
Tekst- en beeldmateriaal worden steeds als digitale bestanden
aangeleverd. Om misverstanden en fouten te vermijden is het van belang
dat de naamgeving van die bestanden duidelijk is, en consequent met het
pagina-overzicht van de publicatie indien dat aangeleverd wordt. Zo weet
de opmaker meteen wat waar hoort. De meest voor de hand liggende
oplossing is het opvallendste woord uit de titel of het onderwerp in de
bestandsnaam op te nemen, en eventueel afgekort naam en nummer van de
publicatie.
Bestandsnamen bevatten best geen speciale tekens of geaccentueerde
letters: beperk je tot de 26 letters van het alfabet, cijfers en
eventueel een underscore (laag liggend streepje) om woorden te
verbinden. Denk eraan dat een punt aanduidt waar de bestandsnaam eindigt
en de extensie – de herkenningscode voor het bestandstype –
begint. Gebruik dus nooit een punt in de bestandsnaam zelf, want bij het
inlezen van het bestand kan dit door de computer verkeerd
geïnterpreteerd worden: bij het eerste punt in de naam stopt die
met lezen en negeert de rest van de bestandsnaam.
|
› Naamgeving
› Bestandstypes
› Tekst is informatie
› Tekst is taal
› Tekst is vorm
|
|
|
|